Kaatje

Tuesday, June 07, 2011

Ondernemen en het Walhalla

Mijn moeder en haar vriendin waren zo'n vijfentwintig jaar geleden ondernemers. We hadden thuis een kroeg. Natuurlijk hadden ze een klantenkaart voor allerlei horeca-groothandels. Ik mocht dan wel eens mee, dat vond ik heel avontuurlijk in die tijd. Voor luxueus graaiwerk gingen we naar de ISPC, voor non-foodartikelen crossten we naar de Sligro. Van de Sligro kan ik me nog herinneren dat ze heel veel potten met groenteachtige rommel hadden, de inhoud was ingelegd in het zuur. Die potten zagen er heel ranzig uit, met goed geconserveerde ondefinieerbare stukjes erin; alsof je een kabinet binnenwandelde bij een biologielokaal. Echt non-food dus. De grootverpakkingen met plastic vorken, servetten, gekleurde tafellopers en andere prullaria lagen zó hoog opgestapeld dat het me altijd duizelde. 

Anno 2011 ben ik zelf ondernemer. Daar moet ik dikwijls om lachen, want ik verdien er per boekjaar maar een paar luttele centen mee. Die extra's worden vooral gespendeerd aan de instandhouding van de dikke billen. Vandaag ook. Ik heb honger en ben eerst van plan om naar Kaufland in Kleve te rijden om mijn voorraden met lekker eten weer eens op peil te brengen. Maar nee! Ik heb toch een inschrijving bij de KvK? Die ga ik heel snel omzetten in een klantenkaart van de Sligro.

Mijn Citroën Saxo steekt wat ieltjes af tegen de grote glimmende bolides op de parkeerplaats.      
Niet getreurd, dapper stap ik naar de Klantenservice.
'Goedemiddag, ik wil graag een klantenkaart aanvragen. Ik heb de benodigde papieren bij me. Inmiddels ben ik wel verhuisd, maar dat staat geregistreerd bij de KvK.'
'Dat zal helaas niet gaan mevrouw, dan had u een nieuwe inschrijving af moeten laten geven. U had daar dan ook voor moeten betalen.'
'Oh, dat is dan wel heel jammer... Kunt u niet in hun systeem kijken?'
De dame achter de balie strijkt over haar hart en verzekert me dat ik een heel aardige klant ben. Sommige mensen trekken haar namelijk wel eens hardhandig over de balie heen. Ik niet, ik bedank haar uitgebreid. Met mijn voorlopige handgeschreven klantenkaart wandel ik door de poorten van het Walhalla. Ik spreek mezelf ernstig toe. 'Kaatje, houd je in. Je hebt dan wel honger, maar geen bodemloze portemonnee.'

Ze bestaan, mensen die koken en het opeten verschrikkelijk vinden. Dan moet je dus niet naar de Sligro gaan, want in vijfentwintig jaar tijd is de groothandel verworden tot de eerste de beste Leclerc in Frankrijk. Oh, die wijnafdeling... Oh, al die stukken wild in honderd soorten en maten... Zelfs de kiemplantjes op de groenteafdeling vinden gretig aftrek. De komkommers ook, dit is een EHEC-vrij filiaal. De afdeling gedestilleerd is zeer karig uitgerust, maar dat neem ik voor lief. Ik kijk mijn ogen uit en heb nog niet eens de bovenverdieping gezien. Het schijnt dat je daar ook sportartikelen en PC's kunt kopen, maar die zijn niet eetbaar.

Na anderhalf uur dwalen leg ik mijn spullen bevend op de band. Wat gaat me dit toch kosten? Het valt uiteindelijk mee. Voor 49,12 euro heb ik vier uitheemse kazen, een Kletzenbrood (nooit van gehoord), een fles middelmatige rode Bordeaux, een kilo konijnenbouten, een pond schol (panklaar), een droge worst, een mooie komkommer en een netje limoenen. De komende drie maanden kan ik mezelf ook ongebreideld afpoetsen met toiletpapier (24 rollen) en mijn neus snuiten in absintgroene servetten (250 stuks).

Is dit boeiend, lieve lezers? Misschien niet. Ik zal jullie er verder ook niet meer mee lastigvallen, met mijn boodschappenkar.
Zelf was ik zo blij met het redelijke bedrag dat ik de typfout van de kassajuffrouw wel fijntjes opmerkte, maar het haar ook weer vergaf:

'HAIKA SCHRIJFCTEATIES'

Er zijn ergere dingen. Vegetariër worden bijvoorbeeld.

Friday, April 22, 2011

Kain

Het is Goede Vrijdag en op Internet regent het weer crucifixen.
Ik zie nu zelfs dat mijn liefje iets heeft gepost met de memorabele woorden: 'Heden hang ik aan het hout.'
Als afvallige katholiek raak ik toch altijd stiekem geïntrigreerd door deze Jezus-hausse. En ik ben niet de enige. Er wordt gegrapt, er worden kunstwerken en spotprenten gepost, de handen worden ijverig gewassen in onschuld en het Ecce Homo heb ik vandaag al twee keer gelezen - we leven nu pas vroeg in de middag nota bene.

Hier in het Zuiden des lands is de katholieke signatuur stevig neergezet. De Tilburgse fraters kunnen bogen op een lange onderwijstraditie. Het Koning Willem II College werd aan het einde van de 19e eeuw zelfs gedwarsboomd door katholieke notabelen omdat het een openbare HBS was waar geen godsdienstonderwijs gegeven werd. Vincent Van Gogh heeft er nog op school gezeten en dat doet vandaag niet echt terzake, maar ik ben niet gespeend van trivia-trots.
Als ik iets voor kinderen schrijf voor Uitgeverij Zwijsen (vernoemd naar aartsbisschop Joannes Zwijsen), word ik soms op mijn vingers getikt. De uitroepen 'Jee!' of  'Jeeminee!' zijn ab-so-luut verboden.
Het is blasfemie om zelfs maar een afgeleide van de goede man te gebruiken. Waar zijn jullie in Jezusnaam mee bezig? denk ik dan schouderophalend, om vervolgens braaf in de pas te gaan lopen. Er moet tenslotte wel geld verdiend worden.

Er was één PABO hier in Tilburg en dat was een katholieke. En daar studeerde ik.
Studeren mocht je het eigenlijk niet noemen, we moesten heel hip ProbleemGestuurd Onderwijs volgen.
De onderwijspractica waren hilarisch; ik heb vier jaar lang gehuppeld, gezongen, gekleid, gemusiceerd en beestjes getreiterd tijdens de lessen natuuronderwijs.
Maar het ProbleemGestuurd Onderwijs, dát was het!
Het betekende dat we op een pseudowetenschappelijke manier allerlei hypothesen moesten formuleren, De Problemen. Vervolgens mochten we in studiegroepjes De Problemen doorkauwen en erover schrijven, schrijven, schrijven.... nog gewoon met een pen. Individuele verslagen, groepsverslagen, procesverslagen, ik kreeg er echt kuilen van in mijn vingers. Nu ben ik nooit te beroerd geweest om te schrijven, maar die hoeveelheid was ongekend.
Onze klassendocent in het derde leerjaar heette Jef De Schepper. Daar kan ik ook niets aan doen, dat hij zo heette. Het was een aardige, goedhartige Vlaming en nog een katecheet ook. Het derde leerjaar was pittig. Mijn medestudenten en ik waren onderhand wel uitgeschreven en -gedebatteerd, we waren die hele groepssessies strontzat. Er onstonden ruzies. De Schepper trok zich daar niets van aan en ging blijmoedig verder met zijn zware taak. Ik had soms ronduit medelijden met hem.

Toen ik mijn individuele eindgesprek bij De Schepper had om dat hele derde jaar te kunnen gaan vergeten, raakten we in een felle discussie verwikkeld. Eén van mijn studiegenoten kon namelijk niets. Hij kon niet lezen, hij kon niet spellen, hij kon geen sluitende redenering op papier krijgen, hij kon niet rekenen, hij haalde geen enkel tentamen... hij kon echt gewoon niets. Ons hele Groepsproces werd ook nog afgekeurd vanwege zijn bijdragen. Balen, maar niet onoverkomelijk. De Schepper en ik spraken erover.
Het grootste venijn zat 'm de staart van het gesprek. Ik had mijn tas al aan mijn schouder hangen en zei: 'Moet hij een leerkracht worden? Durven jullie zo iemand op kinderen los te laten? Jullie willen toch kwaliteit afleveren? Ik schaam me wezenloos voor alles en iedereen hier op deze opleiding.'
De Schepper keek fronsend over zijn studentikoze brilletje en bonjourde me het lokaal uit met zijn prachtige Vlaamse tongval: 'Zijt Gij Uw Broeders Hoeder?'  
Ik ontplofte. Wat een rotstreek van Mijn Schepper om mij zo buiten te zetten.
Niet als Karin, maar als Kain.

Jaren na dato hoorde ik dat de desbetreffende medestudent ontslagen was.
Hij was als leerkracht volslagen incompetent.
Nu doet hij iets met techniek. Geloof ik.

Sunday, February 13, 2011

Christianne

Dit wordt een zondag met een serieuze biecht erin.
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik heb een TomTom aangeschaft.

Jarenlang heb ik de boot afgehouden, ik ging nog voor het ambachtelijke kaartlezen en struikroverstrajecten die nergens toe leidden. Soms is dat hilarisch, maar veel vaker ook gewoon niet.
Jan vond het niet meer zo gezellig toen hij en zijn onverantwoordelijke mama cirkeltjes bleven draaien rond het huis van mijn nicht in een buitenwijk van Nijmegen. De temperatuur in de auto liep op tot boven de veertig graden. ‘Mama, waarom hebben wij geen auto met airco en elektrische ramen?’ ‘Omdat ik daar de hele week voor moet gaan werken en jij de hele week in de opvang moet. Dáárom. Nog even doorbijten, schatje.’ Ten einde raad heb ik mijn nicht toch maar gebeld. Nog één hoek om en we waren er nota bene.
Kreeg ik in het begin nog wel eens een paniekerig sms’je van mijn liefje ‘Hoe laat denk je hier in Godsnaam te verschijnen?’, tegenwoordig staat hij hoofdschuddend bovenaan de trap. Hij weet inmiddels wel dat ik stronteigenwijs en avontuurlijk ben.

Dat is sinds vandaag afgelopen. Het avontuur gaat op de helling! Het instellen van zo’n ding is wel een hele belevenis. Die zuignap bijvoorbeeld, die plakt niet op een vieze autoruit. Bevelen opvolgen is ook een punt. Je denkt toch zeker niet dat ik me door die metalige Frau Kreisverkehr over de A58 laat jagen? We zullen eens zien, Frau, of jij je kunt aanpassen als ik niet naar je luister. Mooi, ze luistert naar mij en past het traject ter plekke aan. 'Kehren Sie um’ is natuurlijk ook wel een lastig commando op de snelweg.

De bestemming is Lennisheuvel, een piepklein gehucht dat ik al die jaren niet kon vinden.
Ik bezoek er een oude vriendin, Christianne. Wat hebben wij gelachen tijdens onze studie.
We dronken, we rookten, we zaten dagen in haar grote keuken te schilderen voor onze portfolio’s.
Jatwerk was ons niet vreemd, we leverden soms ook wel eens iets van elkaar in als we last kregen van penseelkramp. We dreven onze medepassagiers in de streekbus tot wanhoop als we op vrijdagmiddag studiestress op elkaar afreageerden. Ik was dol op haar en vond het jammer dat ze naar Sint Maarten emigreerde om daar te gaan werken. Na een paar jaar was ze weer terug in het Brabantse, gelukkig maar.

Lennisheuvel is het type gehucht waarvan er duizenden zijn. De kerk, de bakker, de kroeg, de school en het voetbalveld liggen er op een vierkante kilometer. Je kunt er een kanon afschieten, al hoor ik soms een enorme boer door de lucht denderen. Dorpsjongeren moeten ook wat lucht kwijt. Ik parkeer mijn auto en kan Christianne zonder TomTom moeiteloos vinden.

Ze ligt er maar stilletjes bij. Ik heb haar na de uitvaart nooit meer bezocht. Het is een mooi graf, met een prachtig houten beeld van een vrouw erop. Gestileerd, sober, het begint al te verweren zelfs.
Uit wat voor hout zij uiteindelijk gesneden was, heeft niemand ooit kunnen vermoeden. Christianne legde de lat voor zichzelf dusdanig hoog dat ze er moe van werd. Zo moe dat ze zichzelf ophing in de paardenstal van haar ouders. Haar afscheidsbrief werd tijdens de uitvaart uitgedeeld. Toen ik die brief las, begreep ik haar volkomen.

Ik doe een halfslachtige poging om de bemoste steen schoon te schuren, in ieder geval zo schoon dat iemand haar naam nog kan lezen. Het materieel op het kerkhof is zo mogelijk nog smeriger dan de steen zelf en ik laat het maar voor wat het is. Gatverdamme, die parochiegelden zouden wel iets beter besteed mogen worden! Een bloem uit het groenafval moet het dan maar doen. Ze zou er zelf erg om kunnen lachen, die gekke Christianne.

TomTommend rijd ik weer naar huis, vloekend op zondagsrijders die niet harder dan veertig lijken te kunnen rijden. Het geeft wel meer denktijd. Ik dacht altijd dat zij en ik uit hetzelfde hout gesneden waren, maar nee… Ik heb een heleboel om voor te leven. Zij niet meer en dat respecteer ik, al is het met een groot gevoel van spijt.

Houdoe, lieve Christianne. Je was een topmeid.



Monday, July 26, 2010

Het misbruik van de Bee Gees

'Waar haal jij je inspiratie voor een verhaal toch vandaan? Ik vind dat zo knap, hoe doe je dat toch?'

Voor mij is het niet knap. Ik heb een eindeloze fantasie, een groot associatief vermogen en daardoor is het leven met mezelf al één groot feest. Input blijft evenwel belangrijk. Ik kreeg een jaar of wat geleden de opdracht om een verhaal te schrijven voor 'Lezen wat de poT schaft'.* Het moest gaan over eten, kinderen en Tilburg. Ik hoefde niet eens moeite te doen voor de ingrediënten, ze werden me zo in de schoot geworpen.

1) Mijn liefje was al een hele tijd aan het zoeken naar een vierstammige eik in het Reichswald. Vierstammige eiken zijn heel bijzonder, dus we hebben ook nog samen een poging ondernomen om het vermaledijde ding te zoeken. Er was niets, helemaal niets... en hij verloor ook nog zijn shagbuil tijdens onze strooptocht door deze contreien:



2) De stad Tilburg is erg trots op haar eeuwenoude sterrenbos. Het barokke grondplan is ontworpen in de 18e eeuw en niemand weet welke tuinarchitect hier verantwoordelijk voor was:




3) Aan de rand van het sterrenbos ligt anno 2010 een toprestaurant, Auberge du Bonheur. De stinkende Bredaseweg staat godzijdank niet op de foto:




4) In de jaren '60 van de vorige eeuw hadden we hier in Tilburg zelfs een dierentuin, op een steenworp afstand van de Auberge. Natuurlijk moesten er uitheemse dieren ingeplant worden, die gelukkig ook wel eens uitbraken. Sindsdien is de stad Tilburg een hele kolonie Siberische eekhoorns rijker. Ik heb ze nog nooit gezien, maar ze zijn er wel:




Mijn verhaal stond al in de steigers. 'En het misbruik van de Bee Gees dan?' hoor ik u denken. Geduld, lieve lezer. Een stukje synopsis lijkt me op zijn plaats:

5) Sam (9) heeft een lievelingsplek in het sterrenbos. Ze gaat regelmatig naar haar vierstammige eik, maar op een dag is hij verdwenen. In de grond gezakt. Sam daalt af onder de grond en wordt gevangengenomen door Sjef Kok, een vervloekte cuisinier. Hij waart al jaren rond door ondergrondse holen. Als hij een vierstammige eik vindt en een meisjesbeen braadt, wordt de vloek verbroken en kan hij weer koken.

Tot zover de protagonist en de antagonist.
En toen moest er redding komen in de vorm van een trio Siberische eekhoorns:

6)

  

Mijn illustrator Ellis Pruijn bestierf het bijna toen ze mijn passages las en vormde Robin, Barry en Maurice om....

7)




....  waarna ik het weer bestierf.


Schrijven is een geweldige bezigheid. Ik krijg er nooit genoeg van. Jan vraagt me regelmatig om het nog eens voor te lezen. De schreeuwende rijmelarij van de vervloekte Sjef Kok is favoriet:

8)

'Sjef Kok is de naam,
broodje met braam,
Ik sloopte je eik,
knakworst met slijk!'

Voor de plot van het verhaal verwijs ik u naar:

*


, een uitgave van Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
(ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2009)
ISBN 978-90-487-0497-2

De opbrengst van dit boek is bestemd voor de Johan Stekelenburg Stichting.


Met de groeten aan Wenslauw, die op Facebook vroeg waarvoor die Bee Gees dan ooit misbruikt waren

Monday, June 28, 2010

Melancholie


Hij zet de wereld naar zijn hand
en ook naar zijn voet desnoods
Paraderend, eindeloos
door zijn beloofde lijnenland

Onverschrokken, zijn jongensrug gerecht
Hij is een held, een reus
Toch... met een verkeerde keus
wordt de strijd abrupt beslecht

Zouden reuzen niet bestaan?
Zijn heldendom schrompelt ineen
Peinzend staart hij naar zijn teen
Hij raakte maar een lijntje aan

Friday, May 28, 2010

Gezoend


Ik heb weer gezoend op die ene plek. Niet eens 'weer', want ik mocht er nooit zoenen. Dag in, dag uit werd ik er grootgeslagen door mijn moeder en Metha. Achter de tapkranen. In de bierkelder, fronsend bij onmogelijke steekkoppelingen op de fusten bier. Boven de pisbakken, waaruit ik builen shag en condooms opdiepte. Aan het biljart, leunend op een keu, met een natuurlijke aanleg... maar met te veel onrust om die aanleg te verfijnen. In mijn lederen minisloof op het terras, rennend met een mudvol of leeg dienblad, terwijl de clientèle brulde: 'Bierrrr!' Aan de flipperkast, op avonden dat ik vrij was en uiteindelijk naar huis kroop.


Het is drieëntwintig jaar geleden.

Afgelopen Eerste Pinksterdag stonden we daar. Ik voor de zoveelste keer, hij voor de eerste keer. Op het terras. De meubels waren troosteloos aaneen geklonken door onooglijke kabels; de peuken van het laatste bacchanaal lagen zielig in de zon. De verf was van de kozijnen gebladderd en naast het sierlijke 'De Tip' was met graffiti 'CAMPING' gespoten. Those were the days, my friend.

Het maakte niets uit. De zon scheen en we hebben gezoend. Het was een bijzondere ervaring.

Sunday, May 09, 2010

Een ballade voor alle moeders en heldhaftige meisjes



Op Moederdag las ik op http://www.kleve.de/  een artikel over Johanna Sebus, een plaatselijke heldin uit de 19e eeuw. Zij redde haar moeder van de verdrinkingsdood toen de Rijn overstroomde. Toen ze nog meer mensen wilde gaan redden, verdronk ze daarbij zelf.
We hebben het monument bezocht, ik vond dat op de één of andere manier heel erg indrukwekkend.
De website vermeldde nog het volgende:


Johann von Wolfgang von Goethe (1749-1832) schrieb eine Ballade über Johanna Sebus:




Johanna Sebus


Zum Andenken der siebzehnjährigen Schönen, Guten aus dem Dorfe Brienen, die am 13. Januar 1809 bei dem Eisgang des Rheins und dem großen Bruche des Dammes von Cleverham, Hilfe reichend, unterging.

Der Damm zerreißt, das Feld erbraus't,
Die Fluten spülen, die Fläche saus't.


"Ich trage dich, Mutter, durch die Flut;
Noch reicht sie nicht hoch, ich wate gut."


"Auch uns bedenke, bedrängt wie wir sind,
Die Hausgenossin, drei arme Kind!


Die schwache Frau!...Du gehst davon!"
Sie trägt die Mutter durch das Wasser schon.


"Zum Bühle da rettet euch! harret derweil!
Gleich kehr' ich zurück, uns allen ist Heil.


Zum Bühl' ist's noch trocken und wenige Schritt;
Doch nehmt auch mir meine Ziege mit!"


Der Damm zerschmilzt, das Feld erbraus't,
Die Fluten wühlen, die Fläche saus't.


Sie setzt die Mutter auf sichres Land;
Schön Suschen, gleich wieder zur Flut gewandt.


"Wohin? Wohin? die Breite schwoll;
Das Wasser ist hüben und drüben voll.


Verwegen ins Tiefe willst du hinein!"
"Sie sollen und müssen gerettet sein!"


Der Damm verschwindet, die Welle braus't,
Eine Meereswoge, sie schwankt und saus't.


Schön Suschen schreitet gewohnten Steg,
Umströmt auch, gleitet sie nicht vom Weg,


Erreicht den Bühl und die Nachbarin;
Doch der und den Kindern kein Gewinn!


Der Damm verschwand, ein Meer erbraust's,
Den kleinen Hügel im Kreis umsaust's.


Da gähnet und wirbelt der schäumende Schlund
Und ziehet die Frau mit den Kindern zu Grund;


Das Horn der Ziege faßt das ein',
So sollten sie alle verloren sein!


Schön Suschen steht noch strack und gut:
Wer rettet das junge, das edelste Blut!


Schön Suschen steht noch wie ein Stern;
Doch alle Werber sind alle fern.


Rings um sie her ist Wasserbahn,
Kein Schifflein schwimmet zu ihr heran.


Noch einmal blickt sie zum Himmel hinauf,
Dann nehmen die schmeichelnden Fluten sie auf.


Kein Damm, kein Feld! Nur hier und dort
bezeichnet ein Baum, ein Turm den Ort.


Bedeckt ist alles mit Wasserschwall;
Doch Suschens Bild schwebt überall.


Das Wasser sinkt, das Land erscheint,
Und überall wird schön Suschen beweint.


Und dem sei, wer's nicht singt und sagt,
Im Leben und Tod nicht nachgefragt!